'Zonder geluk vaart niemand wel'. Mijn eerste contact in Aboriginal Australie

 

'Central Australia: Not a suitable place for white women'

Column GDO zomer 2016

 

Australië in twee weken (en alle Aboriginals zijn toch hetzelfde)

 

Limburgs accent, Australische termen en een zorgzame Qantas-purser

 
imgres.jpg

Van luchtpostvel tot smartphone: 40 jaar Arnhem Land in een notendop

(Column in East Down Under; zomer 2015)

Op het trillende schermpje van mijn smartphone verschijnt de naam Blake. Hij is een van mijn Aboriginal contacten en belt vanuit de bush in Arnhem Land. De boodschap is niet best. Een van zijn clangenoten die ik al decennia lang ken is overleden. Blake vraagt of ik een bericht via zijn email naar de familie wil sturen. Hij wil dat tijdens een van de ceremoniële bijeenkomsten voorlezen. Een paar dagen later belt hij terug en zegt dat mijn uitingen van medeleven goed zijn ontvangen. Dan geeft hij de telefoon door aan andere familieleden die een voor een kort me praten.

Als het gesprek afgelopen is kijken mijn vrouw en ik elkaar aan en weten, zonder het uit te spreken, dat we aan hetzelfde denken. Wat is er toch veel veranderd sinds ons eerste verblijf daar in 1972 toen ik als antropoloog aan mijn eerste onderzoek begon. In die tijd was er nauwelijks verbinding met de buitenwereld mogelijk. Alleen het kleine ziekenhuis en de administratie van de nederzetting Maningrida, waar we woonden, stonden met een krakende kortegolf radio in verbinding met Darwin. Alle andere communicatie ging per post, die drie keer per week van en naar Darwin gevlogen werd. In de regentijd stond een keer de onverharde airstrip drie weken onder water en was ook deze optie tijdelijk afgekapt.

Onze contacten met Nederland verliepen uiteraard ook per luchtpost. Dat leverde soms verwarrende en komische situaties op. Als ik schreef dat alles (uiteraard) goed ging, hooguit een beetje oorontsteking, kreeg ik ruim anderhalve maand later de ongeruste reactie van mijn pa en ma onder ogen. Jongen, wat vervelend van dat oor, kijk maar goed uit dat het niet erger wordt.

‘Was er iets met mijn oor?’ vroeg ik dan Elfrida verbaasd – om me na enig gepieker mijn pijntje van weken geleden weer te herinneren.

We leerden al snel dat mededelingen over allerlei ongemakken alleen maar onnodige onrust veroorzaakten. Dat vonden onze ouders kennelijk ook want onder het motto: laten we ze niet onnodig ongerust maken, wisselden we 20 maanden lang voornamelijk feel good stories uit. De keerzijde was natuurlijk dat we pas na terugkeer in 1975 de minder leuke voorvallen aan elkaar opbiechtten. Alleen het overlijden van mijn oma in 1974 kon niet verzwegen worden. Dat bericht arriveerde ruim een week na haar begrafenis.

Tot 1980 had ik sporadisch contact met mijn Aboriginal kompanen via cassettebandjes die we over en weer stuurden. Datzelfde deden we met ons eigen thuisfront toen we in 1980 met onze twee dochters van 3 en 6 voor een jaar terug gingen naar het gebied. Tot groot genoegen van opa en oma’s in Nederland kletsen onze dochters de bandjes van begin tot einde vol. Gelukkig waren er nog steeds de oude vertrouwde luchtpost velletjes waarop we ook onze eigen verhalen kwijt konden.

Later in de jaren tachtig ging ik enkele keren voor korte tijd alleen naar noord Australië. Inmiddels was het mogelijk om vanuit Darwin rechtstreeks naar huis te bellen. Ik stond dan met een zak vol munten in zo’n openbare telefooncel het hongerige apparaat met grote snelheid te voeden, terwijl mijn dochters aan de andere kant vochten wie het eerst met papa mocht spreken. Het gevolg was dat de munten meestal op waren voordat ik goed en wel iets had kunnen mededelen.

De echte revolutie in communicatie maakte ik mee in 1988. Bij de landing op het inmiddels verharde vliegveldje van Maningrida zag ik levensgrote satellietschotels langs de baan staan. Dat was niet alleen voor het dorp maar voor heel Arnhem Land het begin van grote veranderingen. Spoedig was radio en tv ontvangst mogelijk zoals overal in Australië. Midden in de bush verrezen telefooncellen op zonne-energie en internet deed haar intrede.

En nu dus smartphones en sociale media. De nazaten van mijn eerste Aboriginal informanten grijpen deze mogelijkheden met beide handen aan. Stanley, Valda, John, Nathan en Blake houden me regelmatig op de hoogte van hun wel en wee. Gelukkig is het niet alleen kommer en kwel wat we uitwisselen, ook gewoon alledaagse nieuwtjes passeren de revue. Ik heb inmiddels een groot deel van mijn tapes met songs en dia’s van de afgelopen veertig jaar gedigitaliseerd en stuur ze via het internet programma DropBox richting Arnhem Land. Daar kan seconden later Blake en zijn uitgebreide familie er al over beschikken. Leve de internet revolutie.

Maar ergens diep in een la bewaren we nog een paar onbeschreven luchtpost velletjes. Je doet er niks meer mee, dus weggooien? Geen sprake van. Nostalgisch? Jazeker, maar ze vertegenwoordigen voor ons een wereld die niet meer bestaat. Afblijven dus.

 
images.jpg

Spinnen, slangen, krokodillen, haaien. Hoe overleef ik Australië?

(Column in East Down Under; lente 2015)

‘Het is geen geheim dat Down Under de thuisbasis is van een aantal van de meest woeste, giftige en dodelijkste wezens ter wereld.’ Zo kondigt de populaire zender National Geographic de serie Australia’s Deadliest aan. Een greep uit de afzonderlijke afleveringen: een Duitse toerist wordt achtervolgd door dingo’s, een teek laat zien dat zelfs de kleinste Australische diertjes dodelijk zijn en een middagje in de tuin loopt uit op een gevecht om te overleven na een ontmoeting met een buldogmier.

Ik verzin dit niet, het staat op de website van deze populaire natuurzender. Uiteraard passeren ook krokodillen, haaien, kwallen, spinnen en slangen de revue. Ook de Australian Geographic Society laat zich niet onbetuigd met haar website over de top 30 gevaarlijkste dieren. Deze club heeft zelfs een app ontwikkeld, de ‘DangerOz’ app (alleen in Australie te verkrijgen).

Steeds vaker denk ik: heb ik wat gemist? Ik heb als antropoloog bij elkaar opgeteld ruim drie jaar in Arnhem Land gebivakkeerd. Dat is het gebied bij uitstek waar al dat gevaar prominent aanwezig wordt geacht. Maar na zes maanden in de bush was ik nog geen spoor van dat levensbedreigende gedierte tegen gekomen.

Een beetje bedeesd vroeg ik mijn Aboriginal kompanen: ‘ik zou best een keer een slang willen zien, zou dat kunnen? Straks kom ik in Nederland terug en dan kan ik niet eens zeggen dat ik iets gevaarlijks heb meegemaakt.’

De boodschap kwam waarschijnlijk niet helemaal over want enkele dagen later liet Charley, mijn beste leraar Djinang cultuur, een opgezet exemplaar zien op de school van Maningrida, de nederzetting waar we woonden.

Een paar weken daarna kreeg ik toch mijn zin – dat was eerlijk gezegd wel even schrikken. Aborigines trokken me kordaat weg bij een boom en al snel zag ik waarom. Een paar meter verderop lag een grote King Brown in het holle gedeelte van die boom. Ik zou er zo recht op afgelopen zijn, ware het niet dat mijn Aboriginal gezelschap het beest al van afstand hadden gezien.

‘Blijven staan jij!’ was het niet mis te verstane commando van de anders zo voorzichtig pratende Aborigines, waarna een van hen met enkele gerichte schoten het beest naar het slangenparadijs hielp. Dat had van mij nu ook weer niet gehoeven, maar Dick, de schutter, legde uit dat zo’n beest vlak in de buurt van ons kampement niet echt lekker voelde. Daarna ben ik nooit meer een slang tegen gekomen.

En krokodillen dan? Arnhem Land zit er toch vol mee. Dat klopt en ik heb ze ook ontmoet – op veilige afstand. Maar hier is het devies: niks aan de hand zolang je maar niet in rivieren en waterpoelen gaat zwemmen. Af en toe valt er inderdaad een slachtoffer. Meestal is dat een onvoorzichtige toerist die waarschuwingen aan zijn laars lapt en denkt: ik zie toch niks, laat ik maar snel een verfrissend duikje nemen. In de Aboriginal gebieden zijn kinderen die de waarschuwingen van ouderen negeren sporadisch het slachtoffer.

Natuurlijk waren mij vrouw Elfrida en ik niet ongevoelig voor alle goed bedoelde waarschuwingen. Al voordat we in Sydney aankwamen hoorden we over funnel-web spinnen in tuinen en red bag spiders die zich schuil houden onder wc brillen en het op je kwetsbare delen gemunt hebben. Maar tijdens ons verblijf in Sydney - alles bij elkaar ook bijna twee jaar - hebben we probleemloos van onze tuin genoten en ook onze dagelijkse toiletbezoeken zijn zonder enig lichamelijk letsel verlopen.

In Sydney ontmoetten we de avond voor vertrek naar Arnhem Land een nogal hysterische vrouw die er geweest was. Het hele scala van zojuist beschreven gevaarlijke dieren kwam voorbij, aangevuld met kwallen, schorpioenen, reuzenmieren en enge ziektes. Als toegift adviseerde ze Elfrida haar gezicht permanent te bedekken tegen de onbarmachtige zon - behalve in de regentijd, maar dan verzopen we waarschijnlijk toch.

Die nacht kroop Elfrida tegen me aan met de mededeling: ‘ik ga niet’. ‘Stel je niet aan’, zei ik ‘we redden het best.’ Maar mijn stem was net een octaaf te hoog om mijn onzekerheid te camoufleren. We gingen natuurlijk gewoon naar het noorden en, om een lang verhaal kort te maken, hebben het op een prettige manier allemaal overleefd. We vonden de nederzetting Maningrida en de omliggende bush zo veilig dat we enkele jaren later met onze twee dochters van 5 en 3 jaar terug gingen toen ik een vervolgonderzoek mocht doen. Zij hadden er de tijd van hun leven.

Het soort programma’s en websites waar ik dit verhaal mee begon vertellen geen onwaarheden. Maar het is de opsomming van alle gevaren bij elkaar die het beeld oproept van een land waar je voortdurend voor je leven moet vrezen. Onzin natuurlijk. Wie toch graag Australia’s Deadliest in het echt wil zien kan ook terecht in het Sydney Aquarium of op een van de krokodillen farms in het noorden. En wat die red bag spider betreft: kijk bij toiletbezoek in de outback even onder de wc bril en doe dan vooral ontspannen datgene waarvoor je gekomen bent.

 
Barry-Dame-Edna-674x379px-Feature-A.jpg

Valkuilen van het Australische Engels

(Column winternummer 2015; foto: Barry Humphries, alias Dame Edna)

Het helpt natuurlijk als je Engels spreekt in Australië. Daarom namen mijn vrouw en ik nog extra Engelse les voordat we in 1972 voor het eerst naar Australië vertrokken. De cursus bestond uit zo’n dertig grammofoonplaten en schriftelijk lesmateriaal. Helaas, zo bleek later, was de cursus gebaseerd op perfect Oxford Engels, inclusief het daarbij horende accent.

Toen ik al snel na aankomst mijn talenkennis wilde etaleren, viel de reactie me behoorlijk tegen. Ik opende die bewuste conversatie namelijk met een helder gearticuleerd: ‘How are you going, Sir’; uitgesproken in mijn best mogelijke Oxford Engels met een vleugje Limburgse ondertoon. De man tegenover me keek me met een bijzonder sarcastische blik aan en liep vervolgens weg zonder antwoord te geven. Waarvandaan dan dat onbegrip? Wel, zo leerde ik alras, ik had duidelijk verstaanbaar moeten vragen ‘Owjagoin’ met de toevoeging Mate in plaats van het bekakte Sir.

Nu gaat wennen aan het typisch Australische accent vrij snel. Veel moeilijker is de subtiliteit, om niet te zeggen, ingewikkeldheid van woordkeuzes en uitdrukkingen onder de knie te krijgen. Australiërs zijn meesters in het bedenken van afkortingen, woordspelingen en gezegdes die voor buitenstaanders vaak onbegrijpelijk zijn. Maar wie er zich in verdiept en er de humor van inziet kan rekenen op warme vriendschappen – gewoon omdat je er dan een beetje bij hoort.

Snelcursus in vier stappen.

Stap 1.

Het is een nationale sport om mensen liefdevolle bijnamen te geven, namen die echter precies het tegenovergestelde uitdrukken van wat bedoeld wordt. Een paar voorbeelden. Curley voor iemand die kaal is, Shorty voor een boom van een kerel en Bluey voor iemand met rood haar. Een vriend van ons met een ongelooflijke bos zwart haar, dito baard, brede schouders en bijna 2 meter lang werd Pinkey genoemd.

Stap 2.

Wat opvalt is dat veel woorden eindigen op –y of –ie: footy (voetbal), coldie (koud bier), en uiteraard barbie voor BBQ, om een paar van de talloze voorbeelden te noemen. Daarnaast zijn ook de –o en de –a favoriete laatste letters. Een botlo is een bottle shop, arvo is afternoon, journo een journalist en garbo een vuilnisman. Een kop thee is een cuppa, good onya staat voor ‘good on you en eigennamen als Darren, Barry en Warren veranderen in Dazza, Bazza en Wazza.

Stap 3.

Dan lettergrepen, een onderwerp apart. Zoals uit het bovenstaande al blijkt, worden tal van woorden teruggebracht tot twee lettergrepen. Het is alsof Australiërs het onverantwoord vinden meer lettergrepen te gebruiken dan strikt noodzakelijk. Laat niet teveel lettergrepen onnodig rondslingeren, zo lijkt het adagium. Waarom afternoon als je het net zo goed met arvo kunt doen, of comfy in plaats van comfortable en sunnies voor sunglasses? Het aantal voorbeelden is wederom eindeloos.

Stap 4. Ook gezegdes en uitdrukkingen verdienen een speciale vermelding. Ze zijn gelijktijdig creatief, cynisch, satirisch en boers, en meestal onbegrijpelijk voor wie de context niet kent. Iemand die al een tijdje droog staat, verstoken van bier, kan zeggen: I am dry as a pommie’s bathmat. Pommy is dan het scheldwoord voor Engelsman, en het droge badmatje slaat op het in Australië gekoesterde stereotiep dat Engelsen zelden in bad gaan.

Kampioen in deze tak van sport is ongetwijfeld Barry Humphries, alias Dame Edna (‘Hello Possums’). Vooral zijn andere creatie, Bazza McKenzie, is de bedenker van niet meer weg te denken uitdrukkingen en synoniemen. Bazza is een Australische diplomaat in London en vrijwel altijd dronken. Als hij in die toestand weer eens moet overgeven heeft hij het over een ‘technicolour yawn’, of ‘having fun in the reverse’ of een ‘liquid laugh.’ Toegegeven, niet het meest fijnzinnige wat de Engelse taal te bieden heeft, maar kleurrijk is het wel.

Deze komt uit de speelfilm The Adventure of Barry McKenzie. Ober: ‘How would you like your steak, sir?’ Barry: ‘Just knock off its horns, wipe its arse and bung it on a plate.’ Voor zijn meest seksueel getinte taalkundige vondsten verwijs ik, hypocriet als ik ben, naar Google.

Tot slot permitteer ik me nog een waarschuwing voor ons, niet-Australiers: ‘don’t try this at home’, oftewel ga niet zelf aan de slag met het bovenstaande. Want het is een subtiel spel waar je gauw de plank mis slaat wanneer je niet bent opgegroeid Down Under. Dan kan elke poging plat slaan als een verschraald bier. Mocht u wel Australiër zijn dan hoor ik u al zeggen: shut ya gob, oftewel hou nu maar je wafel. Bij deze Sir,…eh Mate.

 
imgres-1.jpeg

You ain’t seen nothing yet.

(Column Going Down Under, winter 2012/13)

Foto: parlement Canberra

 

De verkiezingen in Nederland zijn net achter de rug als ik dit schrijf. Het was volgens velen een felle strijd waarin opponenten elkaar het vuur aan de schenen legden. Dat moge zo zijn in de Nederlandse verhoudingen, maar als iemand die de Australische politiek van nabij volgt kan ik alleen maar concluderen:

You ain’t seen nothing yet.

Het toppunt van verbale hoogstandjes in het Nederlandse parlement zijn uitdrukkingen als  ‘effe dimmen’ en ‘doe eens normaal man. Het ‘effe dimmen’ staat op naam van voormalige SP voorman Jan Marijnissen en het ‘doe eens normaal’ komt voor rekening van PVV leider Wilders. Hij riep dat naar premier Rutte, die daarop de jij-bak produceerde: ‘doe zelf eens normaal.’ De Nederlandse TV liet niet na deze twee scènes tot vervelends toe te herhalen. Als voorbeelden van de verruwing van het Nederlandse parlementaire spraakgebruik. Gut, o gut.

You ain’t seen nothing yet.

Australische parlementariërs zetten hun opponenten met het grootste gemak neer als ‘…the brain-damaged leader of the opposition’  (citaat van voormalig premier Paul Keating). Daarbij negeren ze meestal het wanhopige ‘Order! Order!!!’ van de Kamervoorzitter die hopeloos probeert  de kemphanen tot bedaren te brengen.

Soms lukt dat alleen door de betreffende spreker tijdelijk uit de Kamer te verbannen; zeg maar een tijdstraf zoals dat bij andere vechtsporten als ijshockey ook het geval is. Omdat de kemphanen net als in het Britse parlement dicht tegenover elkaar staan en hun verbale geweld ondersteunen met expressieve lichaamstaal, verwacht je elk moment dat ze elkaar naar de strot vliegen.

Af en toe leidt dit tot nogal komische uitersten. Tijdens een van mijn bezoeken aan Question Time opende de Speaker of the House de vergadering met een warm welkom aan een Aziatische delegatie op de publieke tribune. Hij benadrukte in plechtige bewoording het belang van dit eerbiedwaardige Huis voor de democratie. Hij had zijn laatste woord nog niet uitgesproken of het schieten uit de heup barstte in volle hevigheid los. Daarbij vlogen de kwalificaties die ik hierboven beschreef weer als vanouds over tafel. Ik meende in de anders zo stoïcijnse gelaatsuitdrukkingen van de Aziatische gasten enige verbazing, zo niet lichtelijke vormen van paniek te bespeuren.

Ondanks dit alles kan de sfeer bij bepaalde gelegenheden helemaal omslaan. Even welgemeend als al die vileine uithalen zijn de toespraken op de laatste zitting van het jaar, enkele weken voor kerstmis. Dan wenst men elkaar welgemeend een sfeervol ‘festive season’ , goede gezondheid, zeker ook voor het thuisfront, en spreekt de oprechte maar ijdele hoop uit in het nieuwe jaar wat zakelijker met elkaar om te gaan.

Ook bij persoonlijk verdriet van een van hen verdwijnen voor even de tegenstellingen als sneeuw voor de zon. Toen premier Julia Gillard onlangs terugkeerde na haar vaders overlijden wist ze vriend en vijand in het parlement te ontroeren met een toespraak waarin ze hem waardig herdacht.

Maar ik kan het ter afsluiting van dit betoog de verleiding niet weerstaan nog een keer de absolute kampioen van het verbaal beledigen en neerhalen van opponenten op te voeren: de reeds genoemde Paul Keating, Labor premier van 1991 tot 1996. Hij wist als geen ander het ordinaire schelden tot kunst te verheffen met onvergetelijke oneliners die vaak even scherp als humoristisch zijn. Een paar voorbeelden uit de diverse archieven en compilaties in boekvorm:

Tegen de kleine en wat kalende John Howard, toen ietwat fletse oppositieleider (later succesvolle premier): The little desiccated coconut is under pressure and he is attacking anything he can get his hands on. What we have got is a dead carcass, swinging in the breeze, but nobody will cut it down to replace him.

Om duidelijk te laten merken dat hij niet onder de indruk is van de aanval van een opponent: His performance is like being flogged with a warm lettuce.

Over dezelfde persoon: I was implying that the Honorable Member for Wentworth was like a lizard on a rock - alive, but looking dead. 

Nog een laatste: What we have as a leader of the National Party is a political carcass with a coat and tie on.

Zo, dat is andere koek dan ‘doe eens normaal man’ en ‘effe dimmen’ . Daarom aan allen die menen een verruwing in de Nederlandse politieke mores te ontwaren:

You ain’t seen nothing yet.

 
slui148.jpg

De nacht dat ik geesten zag

(column herfst 2014; foto Ad Borsboom: rockpainting spiritual beings, Arnhem Land)

Gewoonlijk ben ik een evenwichtig persoon. Met die opening wilde ik deze column beginnen, ware het niet dat mijn vrouw in schamper lachen uitbarstte. Ze leest tekst altijd even na voordat ik die inlever. ‘Heb je jezelf,’ zo begon ze, ‘wel eens zien foeteren als je favoriete club verliest? Of in de auto, wanneer je denkt dat jij de enige weggebruiker bent die fatsoenlijk kan rijden?’Na nog een serie, voor mij, confronterende voorbeelden, suggereerde ze dringend de waarheid (in haar ogen) geen geweld aan te doen. ‘Bedenk asjeblief een ander begin van je verhaal.’

Ik wilde deze opening gebruiken om het contrast te schetsen met een ervaring die ik ooit in Aboriginal Australië had. Toen ik op een nacht badend in het zweet van angst geesten dacht te zien.

Juli 1974. Aborigines waar ik bijna twee jaar lief en leed mee gedeeld had, waren op weg naar Croker Island voor de kust van Arnhem Land. Ze gingen er een groot ritueel presenteren om oude, bijna vergeten, contacten nieuw leven in te blazen. Ik besloot een paar dagen eerder te gaan om mensen daar alvast te leren kennen. Maar toen ik aankwam leek het eiland wel uitgestorven. De lokale Aborigines bleken ergens ver weg druk met begrafenisriten. Ook de kleine nederzetting (tegenwoordig Minjilang) van het eiland zag er verlaten uit.

Ik werd opgevangen door de dominee die me begeleidde naar mijn verblijfplaats ver buiten de nederzetting - een hut met bed en kookgelegenheid. Niet dat er veel te koken viel. De winkel van de nederzetting was vrijwel leeg, in afwachting van bevoorrading uit Darwin. Maar met biscuits en blikken witte bonen in tomatensaus zou ik het wel een paar dagen redden.

Dapper probeerde ik met lezen, aantekeningen maken en korte wandelingen de tijd door te komen. Na drie dagen begon de eenzaamheid echter behoorlijk op me in te werken: niemand gezien, laat staan gesproken, en witte bonen in tomatensaus voor ontbijt, lunch en avondeten.

Die derde nacht werd ik plotseling onrustig wakker. Uit de verte klonken de dodenliederen van rouwende Aboriginal families, meegevoerd door een aanwakkerende wind. Diezelfde wind deed de takken voor mijn glasloze ramen – voorzien van horden – heftig heen en weer bewegen. Plotseling verstijfde ik van schrik. Ik hoorde duidelijk geritsel en, wat erger was, meende zware ademhalingen tussen de wind door te horen. Ik tuurde van onder mijn klamme laken angstig naar buiten. De takken staken zwart af tegen het melkwitte maanlicht op de achtergrond. Was het inbeelding of zag ik het echt vreemde gezichten tussen die takken opduiken?

Ad, jongen, rustig blijven, zei ik badend in het zweet tegen mezelf. Het is allemaal inbeelding. De horden zijn een raster die je blik op de buitenwereld vervormen. De eenzaamheid en het schamele dieet gaan je opbreken en het klagende geluid van de dodengezangen doen de rest.

Even scheen de ratio het te winnen van de angst, maar toen kwam de genadeklap. Boven mij hoorde ik plotseling geluiden op het plafond: een regelmatig ritmisch getik van de ene naar de andere kant en weer terug. Ga weg, wilde ik schreeuwen, maar in werkelijkheid kon ik geen geluid mijn strot uit krijgen. Zouden de Aborigines dan toch gelijk hebben: dat de pas gestorvenen rond de levenden blijven hangen omdat ze geen afscheid kunnen nemen. En dat de gezangen ook tot doel hebben die dolende zielen de jungle in te drijven – diezelfde jungle waar mijn verblijf aan grensde? Het getik boven mijn hoofd hield niet meer op, de takken bleven bewegen en creëerden steeds andere gezichten op mijn netvlies.

Toen kwam ik het op een punt dat ik het niet meer uit hield. Ik sprong uit bed, pakte mijn zaklantaarn en rende naar buiten. Liever de confrontatie dan er passief aan onderdoor gaan. Eerst uitzoeken waar dat getik vandaan kwam. Het licht van mijn lantaarn zocht de dakspanten af en opeens zag ik hem: een opossum die samen met mij de hut bewoonde. Hij (of zij) zelfbewust stappend tussen dak en plafond, ik een zielig hoopje paniek op zoek naar een verklaring. Ik kan de opluchting nauwelijks beschrijven. Als dat geluid een natuurlijke verklaring had, moest dat bij de rest ook zo zijn.

Inmiddels verlichtte het eerste ochtendrood de hele omgeving. Ik rende buiten om naar het bewuste raam zag niks anders dan struiken waarvan de takken met hun grillige vormen zachtjes in de ochtendbries heen en weer wiegden. In het vage licht van de maan zou je daar 's nachts vormen in kunnen projecteren, zoals wel eens gebeurt in kindertekeningen.

Ha, ha, lachte ik mezelf tegen beter weten in bemoedigend toe, jij als wetenschapper wist het natuurlijk al de hele tijd: geesten bestaan niet. Maar deep down moet ik bekennen dat ze die nacht heel echt waren. Daarom zeg ik nu, als mensen vragen of ik het geloof in geesten met Aborigines deel : ik geloof er niet in, maar heb ze wel ervaren.

Zo, en nu nog even piekeren over een andere openingszin.

 

‘O Moeder wat is het heet’: misvatting over Australische Kerst

(column in Magazine 'Going Down Under'  en als 'Brieven uit Arnhem Land' voor SBS Australia, Nederlandse uitzendingen.

Foto: Ad Borsboom, dochtertjes even chillen voor we aan de kerst beginnen; 1980)

O Moeder wat is het heet’: misvatting over Australische Kerst

Kerstmis in Australië. Als ik bij een kerstdiner wel eens verzucht dat ik daar dierbare herinneringen aan, kijken mijn disgenoten me vol ongeloof aan.

‘In die hitte?’. ‘Kerstmis op het strand?’. ‘Bij de BBQ?’.

‘Dat is toch helemaal geen kerstgevoel, dat kun je niet menen.’

Dat meen ik dus wel!

‘Leg uit’, roept er altijd wel iemand.

Nou,  dat hoeven ze geen twee keer te vragen.

Om de aandacht meteen te pakken vertel ik over kerstmis in Arnhem Land (tropisch noord Australie), in 1980 met onze dochters van zes en vier jaar.  Kinderen hebben nu eenmaal een streepje voor in kerstverhalen. Zeker als ze een jaar lang op zo’n afgelegen plek moeten leven omdat pa zonodig een vervolgonderzoek in Aboriginal Australië wil doen.

Die afgelegen plek was Maningrida, toen een kleine nederzetting aan de kust waar naast zo’n 200 Aborigines ook een vijftigtal blanken woonden. De meeste van hen waren ruim voor de kerst naar het zuiden vertrokken. De Aborigines hadden niet veel met het idee kerstmis hielden zich bezig met hun eigen zaken. De anders zo hectische nederzetting lag er nu rustig en vredig bij, op de soms heftige bliksem en donder na. Het regenseizoen was net begonnen.

We waren sinds april in Australië, maar Elfrida als moeder-met-vooruitziende-blik had toen al aan kerstmis gedacht. Uit een van de koffers verschenen een tafellaken met kerstmotieven en een uitklapbaar kribbetje van karton, compleet met heilige familie,  engel, os en ezel. 

De boom moesten we voor het eerst, en waarschijnlijk ook voor het laatst in ons leven, zelf kappen. Er zijn weliswaar geen dennenbomen te vinden in Arnhem Land, maar een jonge groene eucalyptusboom voldoet prima. Vergezeld van mijn dochters reed ik een eind het bos in en vond na inspraak van bijzonder kieskeurige kinderen een geschikt exemplaar.

Nadat ik mijn mannelijk aandeel had geleverd – dat is tenslotte het kappen van een boom – was het de beurt aan de vrouwen. Moeder en dochters gingen geconcentreerd aan de slag met de kerstversiering. Ze maakten zelf kerstballen van zilverpapier en hingen de boom verder vol met uitgeknipte afbeeldingen van typisch Australische knuffeldieren uit de kinderliteratuur, zoals koala’s, kangoeroes, wombats, kookaburras en opossums.

Alles was nu gereed voor een bijzondere kerstavond. Met cadeautjes die we uit een catalogus van David Jones besteld hadden. Met lekkere hapjes die Elfrida uit de schaarse voorraad te voorschijn wist te toveren. En met kerstliedjes op een cassettebandje, want radio en tv waren er nog niet in Arnhem Land.

Later die avond liepen we naar buiten om een ongekend schouwspel aan de nachtelijke hemel te aanschouwen. Het was een maanloze nacht en de talloze sterren van het zuidelijk halfrond schitterden zo helder dat ze heel dicht bij leken. We staarden liggend in het gras wel een half uur lang naar dit hemelse lichtspel. Toen op dat moment ook nog het Stille Nacht uit de cassetterecorder klonk  liepen de koude rillingen over mijn rug. We leken wel een te zijn geworden met wat  Aborigines de Dreamtime noemen.

Als toegift sloot ik mijn verslag van die bijzondere kerst af  met de slotregels van het gedicht Bush Nativity:

The Stars of the Southern Cross pointed the Way

To the Babe who was born on that first Cristmas Day.

Helaas, vergeefse moeite. Gepikeerd stelde ik vast dat mijn publiek inmiddels was afgehaakt. De een lag te knikkebollen, een ander zapte langs enkele tv zenders op zoek naar een film en een derde stak afwezig nog maar een kerstkransje in zijn mond. De enige die me aankeek leek te denken: ik ga toch niet een half uur lang luisteren naar een sentimenteel kerstverhaal van een gepensioneerde professor.

Nou dan niet.

Maar dan vertel ik ook niet over nog een andere kerstmis op het strand van Bondi Beach met Santa in korte broek en op slippers, of over die indrukwekkende intocht van de Kerstman in Sydney,  of over X-mas in juli in de Blue Mountains omdat het daar dan hartje winter is. Zoek het dan ook zelf maar uit, was mijn niet zo sympathieke kerstgedachte.

Maar U, geachte lezer die het tot hiertoe wel heeft volgehouden, wens ik in elk geval een bijzonder Merry Christmas, al of niet Down Under.

 
imgres.jpg

Darwin, een stad om van te houden

(Column lente 2014; foto: The Old Vic)

Ik mis Darwin.

Dertig jaar lang kwam ik er zeer regelmatig, op weg naar of terug uit Arnhem Land. Als antropoloog deed ik in die periode onderzoek met Aboriginal families zo’n 600 km ten oosten van Darwin.

Mijn eerste kennismaking vond plaats in 1972, nog voordat de verwoestende cycloon Tracy op kerstavond 1974 veel slachtoffers eiste en een groot deel van de stad platlegde. In die tijd leek de hoofdstraat, Smith Street, eerder op een decor uit een Western dan op het centrum van een stad. Een van de markante, zo niet beruchte plekken, was de Victoria Pub, kortweg The Old Vic. Wie zich de pub uit de film Crocodile Dundee voor de geest kan halen, heeft een redelijk beeld van de sfeer in de Vic, zowel wat inrichting als publiek betreft. In mijn hang naar unieke Australische ervaringen, besloot ik , nog groen als gras, dat een bezoek aan deze pub een must was.

Met mijn veel te nieuwe hoed, te schoon overhemd en te grote korte broek - alles net gekocht in een Chinese winkel in Cavenagh Street - stapte ik een beetje zenuwachtig het lokaal binnen. De aanwezigen, vooral van het type ‘ruwe bolster’ blanke pit’, staarden me eerst ongelovig aan. Ze leken zich af te vragen uit welk pretpark ik ontsnapt was. Al snel sprak iemand me aan en de conversatie ging , samengevat, ongeveer zo.

‘What’s your name mate? ‘

‘Ad’.

‘Ed’ herhaalde hij.

‘Nee, Ad’ zei ik,’ niet Ed’.

Even stil, gevolgd door de conclusie die ik vaker in het noorden zou horen: ‘O.K. we call you Jack’.

Wat doe je hier zo ver van huis. was de volgende vraag.

‘I am an Anthropologist’ antwoordde ik naïef.

‘ What’s a f*** Antro-something?

‘Somebody studying Ants’ (mieren) riep zijn behulpzame maat verderop aan de bar.

Enfin, ik kreeg een bier, gaf ook een rondje, kreeg er nog een…enzovoort. De rest van de conversatie herinner ik me daarom niet zo goed meer. Maar ach, wat doet het er toe. Van belang is de les die ik leerde: doe in het noorden niet moeilijk over je naam, en blijf maar vaag over je beroep in die contreien.

Darwin is sinds Cycloon Tracy in rap tempo gemoderniseerd. Er verrezen shopping-malls, hoge kantoren en tal van hotels. De zo typisch houten huizen op palen van voor Tracy hebben plaatsgemaakt voor cycloon bestendige stenen huizen. Niettemin heeft het moderne Darwin met haar bewoners uit alle hoeken van de wereld die unieke sfeer van relaxte, tropische stad, weten te behouden.

De stad is voor mij persoonlijk de plek bij uitstek geworden waar ik de mentale overgang van de bush naar het jachtige, maar o zo vertrouwde leven in mijn wereld maak. Net zoals een duiker niet te snel vanuit de diepte omhoog mag komen, moet ik mezelf ook altijd een korte periode gunnen om de overgang van de ene naar de andere situatie te maken. Dat gaat meestal als volgt.

Na een boeiende, maar ook zeer sobere tijd in de bush met hooguit poederkoffie en droge Arnouts biscuits als enige versnapering, strijk ik neer op een fraai terras tegenover Woolworth in Smith Street. Daar ga ik genieten van een dubbele Italiaanse espresso met cheesecake. Mijn eigen wereld ten voeten uit.

Dan valt mijn oog op de Art and Craft winkel aan de overkant van de straat. De hele voorgevel is beschilderd met Aboriginal motieven die me vertrouwd voorkomen. Als ik wat nauwkeuriger kijk herken ik ontegenzeggelijk de stijl van een van mijn Aboriginal kompanen. Dan ben ik, te midden van verkeerslichten, toeterende auto’s, winkelend publiek en mijn reeds halfgenuttigde cheesecake, weer even terug in Arnhem Land.

Ook als ik de dag erna het hotel afreken, de taxi naar het vliegtuig neem en al helemaal in de sfeer van creditcards en het snelle leven verkeer, is Arnhem Land nooit ver weg. Niet als ik langs Bagot Road kom waar Aborigines – sommigen op drift geraakt in de stad – een eigen onderkomen hebben. Ook niet op het vliegveld waar zich onder de passagiers Aboriginal families bevinden die of naar Arnhem Land terugkeren, of er net vandaan komen. Terwijl ik in de rij sta om in te checken zie ik op de muur tegenover me een grote, metershoge, Aboriginal muurschildering. Die is van Andrew uit Raminging in oost Arnhem Land; de plek waar ik net vandaan kom.

Ik blijf er naar staren totdat de final call me tot de werkelijkheid terugroept. Dan stap ik op de roltrap naar de vertrekhal op de eerste verdieping en neem de beelden uit deze unieke plek aan de Arafura Sea mee het vliegtuig in.

Ik weet heus wel, Darwin is geen wereldstad en je zoekt tevergeefs naar markante gebouwen, theaters of een bruisend cultureel leven. Maar ik mis die plek nou eenmaal.

 
mens_1kg6u37xydftw1flsw6qa5zo9o.png

Hopping Our Way Into History: soccer Australia naar WK

(column zomer 2014)

In Australië waart een slogan rond. Hopping Our Way Into History. Een argeloze waarnemer denkt wellicht aan ambitieuze doelstellingen waarmee het land zich op het wereldtoneel wil manifesteren. Misschien een onmiskenbare bijdrage leveren aan de wereldvrede ? Een doorbraak forceren in medisch onderzoek? Een oplossing om de opwarming van de aarde een halt toe te roepen?

Niks van dat alles. Hopping Our Way Into History is de wel erg optimistische slogan waarmee het Australische voetbalelftal afreist naar het WK 2014 in Brazilië.

Australië en Soccer. Wordt het ooit een perfecte ‘Match’? Twee observaties.

Het is een mooie zaterdag 27 april 1974. Ik ben op weg naar de Sydney Cricket Ground waar het Australische elftal een oefenwedstrijd speelt tegen Uruguay. Voor het eerst in de geschiedenis heeft het nationale team zich gekwalificeerd voor het WK later dat jaar in Duitsland. Een prestatie van formaat voor een land met slechts regionale competities tussen clubs die gebaseerd zijn op etnische afkomst: Serviërs, Kroaten, Italianen en zelfs Nederlanders (Wilhelmina, Ringwood Vic.).

De spelers in het nationale elftal zijn voornamelijk legionairs die als profs in de verschillende Europese competities spelen. Toch slagen zij er in Australië door de voorrondes te loodsen en zo deelname aan dit WK te realiseren. De wedstrijd tegen Uruguay maakt onderdeel uit van de oefencampagne op weg naar Duitsland.

In de buurt van het stadion kom ik vast te zitten in een file. De wedstrijd is al begonnen en de geluiden uit het stadion voorspellen niet veel goeds. Uit de massale kreten van teleurstelling en de doodse stiltes die er op volgen concludeer ik dat Australië al vroeg een doelpunt heeft moeten incasseren. Als ik een kwartier later eindelijk het stadion binnen kom zie ik tot mijn verbazing dat Australië niet achter staat, maar een 1-0 voorsprong heeft.

Hoe kan ik me zo vergist hebben?

Heel simpel. De meeste toeschouwers zijn Australiërs van Zuid-Amerikaanse afkomst en steunen massaal het team van Uruguay. Voetbal blijkt een typisch immigranten sport die main stream Australië nauwelijks weet te bekoren. Voor vele nieuwkomers blijft de sport daarentegen een emotionele navelstreng met het land van herkomst. Het gevolg is dat Australië thuis vrijwel altijd een uitwedstrijd speelt. Australië wint de wedstrijd overigens knap met 2-0.

Een tweede Aha - moment beleef ik later die dag. Tijdens een etentje vertel ik over mijn bezoek aan de interland. Mijn Australische disgenoten bekennen weinig te weten van soccer, maar zijn unaniem van mening dat het een bijzondere ‘gentle’ sport is. Ik geloof ik mijn oren niet. ‘Gentle?’

Ik heb enkele uren daarvoor bikkelharde Uruguayaanse verdedigers gezien die met gestrekte benen probeerden de Australische aanvallers midscheeps te raken. Ik lees regelmatig dat het er tussen de diverse (etnische) amateurclubs in Sydney en Melbourne ook niet zachtzinnig aan toe gaat. Kortom, pittige en gemene overtredingen, blessures en geniepige pesterijen zijn – ook in Nederland – gewoon schering en inslag en helaas een wezenlijk onderdeel van deze ‘gentle’ sport.

Maar misschien bedoelde mijn gezelschap met ‘gentle’ eigenlijk wat de voetballer Johnny Warren (aanvoerder van 1964 tot 1974) ooit recht voor zijn raap zei: ‘Voetballen wordt gezien als een spel voor Sheila’s, Wogs en Poofters.’ In 2003 publiceert hij een boek over de ontwikkeling van het Australische voetbal met deze drie woorden als titel.

Helaas, concludeer ik die avond, zolang soccer alleen geliefd is bij nieuwkomers en de andere Australiërs – laat ik netjes blijven – het vooral een ‘gentle’ tijdverdrijf vinden, wordt het niks met die sport.

Gelukkig heb ik me vergist. In de jaren tachtig en negentig verdwijnt de puur etnische achtergrond van de clubs en begint het spel ook grote delen van main stream Australia te boeien. Met de oprichting van een professionele A-Leaugue stijgt het niveau aanzienlijk, tegelijk met de toeschouwers aantallen. Soccer is inmiddels Football gaan heten, in lijn met de internationale benaming.

Op het WK van 2006 – met dank aan de Nederlandse coach Guus Hidding – bereikt Australië de 1/8e finale en wordt met 0-1 uitgeschakeld door de Italianen die in de 95ste minuut een onterechte penalty krijgen. Vier jaar later strandt het team op het nippertje in de poule fase, maar levert toch een prestatie van formaat.

En dan nu het WK in Brazilië. Het enthousiasme lijkt wat getemperd. Technisch directeur Han Berger is pessimistisch: ‘De poule fase is zwaar met Nederland, Spanje en Chili als tegenstanders en het team zit in een verjongingsfase’. Niet echt een opwarmer van de Nederlander in Australische dienst.

Begrijpelijk dus dat er wenkbrauwen gefronst worden bij Hopping Our Way Into History, wanneer zelfs officials er vanuit gaan dat het team na de eerste ronde meteen door naar huis mag hoppen.

Hoe het ook afloopt, ik blijf geloven dat Australië en Football hard op weg is een perfecte ‘Match’ te worden. Let maar op de Socceroos (klinkt toch beter dan Footballeroos) bij de Azië Cup die Australië volgend jaar organiseert.

 PS Lees ik net de slogan van het Nederlandse elftal: Real Men Wear Orange. Ben ik even blij dat ik daar geen stukje over hoef te schrijven.

 
220px-australia-timezones-daylight.png

Waar blijft de tijd?

(Column winter 2014; foto

Eind oktober hebben we de klokken alweer een uur terug gezet. De wintertijd heeft zijn intrede gedaan. Dat is binnen Europa een redelijk overzichtelijke operatie. Elk land doet mee en ook nog op hetzelfde moment.

Nee dan Australië, dat is andere koek. Een voorbeeld.

Onze dochter en haar man wonen in Australië; in Canberra om precies te zijn. Als alternatief voor onze fysieke aanwezigheid daar bellen en skypen wij zeer regelmatig. Dat loopt gesmeerd. Leve het internet! Een steeds terugkerend probleem is echter dat vermaledijde tijdsverschil.

Op de eerste plaats bestaan er binnen het continent Australië zo wie zo verschillende tijdszones. Drie om precies te zijn, met een verschil van zo’n 2 uur tussen de oost- en westkust. Daar valt verder weinig aan te doen.

‘Maar weet je wat’, zo moeten de politici van de afzonderlijke deelstaten gedacht hebben, ‘laten we het onze vrienden overseas niet te gemakkelijk maken met die winter- en zomertijd. We doen het niet allemaal. En wie wel mee doen verzetten de klok op andere tijdstippen dan de Europeanen.’

Dit complot – zo zie ik het tenminste - leidt tot de volgende puzzels.

Queensland, West Australië en de Northern Territory kennen geen zomer- en wintertijd, de andere Staten wel. Daardoor is het op dit moment van schrijven (5 uur in de middag Nijmegen) in Brisbane 2 uur in de nacht en in Sydney – zelfde tijdszone maar met zomertijd – 3 uur.

Ik som even verder op: Perth 24.00 uur, Darwin 01.30 en Adelaide (weer zelfde tijdszone als Darwin) 02.30 uur. Die onderlinge verschillen veranderen opnieuw als in maart de deelstaten die nu de zomertijd hebben ingesteld weer overgaan op hun wintertijd.

Maar we zijn er nog niet. Het verzetten van de klokken in Australië en Europa gebeurt op verschillende tijdstippen. Daardoor was het tijdsverschil begin oktober met Canberra 8 uur. Dat werd 9 uur medio oktober, toen New South Wales, inclusief Canberra overging op de zomertijd, om eind oktober uit te komen op 10 uur toen de klokken in Europa een uur naar achter schoven.

(Dierbare lezer, voelt u zich absoluut niet bezwaard om na het door worstelen van deze alinea’s een korte pauze te nemen om bij te komen. Dat moet ik ook even. Er komt namelijk nog meer. Want nog bonter maakten de Samoanen….).

Nog bonter maakten de Samoanen het twee jaar geleden. Die verschoven de internationale datumgrens iets naar het oosten, waardoor het nu niet meer het laatste, maar het eerste land is waar een nieuwe dag begint. Om dat te bereiken moest er wel een dag van de kalender geschrapt worden. Dat werd eenmalig 30 december.

Het zal net je verjaardag zijn.

Geen nood, zei de premier van deze eilandenstaat. ‘ Met een uurtje vliegen ben je zo aan de andere kant van de datumgrens. Dus kun je vanaf nu twee keer je verjaardag op dezelfde dag vieren binnen onze archipel. Eerst in West Samoa. Als dan de zon ondergaat snel naar de overkant (Amerikaans Samoa) en je bent ruim op tijd om daar de zonsopgang van diezelfde dag te beleven.'

Het staat uiteraard iedereen vrij aan die oproep gehoor te geven. Maar ik doe het niet. Ik vind één verjaardag al zo vermoeiend.

Kortom, het blijft opletten geblazen met bellen, skypen of reizen richting Down Under en de Pacific. Nu weet ik ook wel dat slimme mensen via wereldklokken op allerlei websites snel de juiste tijd waar ook ter wereld kunnen vinden.

Maar het komt ook soms spontaan in me op om onze dochter te skypen. Als ik me dan toch weer vergis en aan de andere kant van de lijn hoor: ‘‘he pa, het is twee uur in de nacht en ik moet morgen echt vroeg op, probeer de volgende keer nou eens op te letten, ik schrik me rot…’ dan weet ik in elk geval snel hoe laat het is.

Naschrift. Samoa had uiteraard een begrijpelijke reden om deze stap te nemen: het stimuleren van de economie. Het land kan nu makkelijker zaken doen met Australië, Nieuw Zeeland en Aziatische landen. Daarvoor was dat effectief maar op drie van de vijf dagen mogelijk. Als het op Samoa vrijdag was zaten die landen al op de zaterdag, en de Samoaanse zondag viel op de maandag aan de westkant van de datumgrens. Nu lopen de werkdagen, op wat behapbare tijdsverschillen na, helemaal synchroon.

Laat die Samoanen dus maar schuiven.

 
IMG_2291.JPG

Een Hot Item: Get a Life Mate, het is gewoon zomer!

herfst 2013: East&Down Under (foto: AdBorsboom)

“ ’t Is weer voorbij die mooie zomer…” zingt Gerard Cox al sinds 1973. Was de afgelopen zomer ook echt mooi? Wat mij betreft zeker wel, al had ik enkele keren het gevoel dat we in groot gevaar verkeerden. Dat zit zo.

Nederland kende in juli en begin augustus een warme periode en die werd officieel als Hittegolf bestempeld. Zo gauw die naam valt gaan alle alarmbellen rinkelen en wordt ons Nationale Hitteplan van stal gehaald. Dat is een bijna veertig pagina’s tellend document waarin een aantal organisaties gezamenlijk gevaren en maatregelen breed uitmeten.

Alle media, zowel de schrijvende pers als de elektronische, citeerden al dagen van te voren uit dit plan. Ze waarschuwden ons onophoudelijk voor de gevaren die op de loer lagen: uitdroging, zonnesteken, verbrande huid en hittekramp om er een paar te noemen. Uiteraard ging dat mediageweld gepaard met een stroom van adviezen. We moesten genoeg drinken, luchtige kleding dragen, uit de zon blijven, en ‘s nachts niet onder dekens slapen. Dat gold voor iedereen, maar vooral voor de ouderen onder ons. Die kregen via het Journaal letterlijk het advies om binnen te blijven.

Hoe zou dat toch zijn, dacht ik, in warme landen met een voornamelijk West-Europese bevolking? Wat is daar de definitie van een hittegolf. En hoe gaan daar de ouderen er mee om? Wat doen die dan de hele dag? Uiteraard kwam ik uit in Australië. Daar wonen op dit ogenblik ruim 3 miljoen mensen die ouder zijn dan 65.

Mijn eigen observaties van enkele decennia lang roepen het beeld op van in wit geklede mannen en vrouwen die of golfen, lawn bowling spelen, cricket op het heetst van de dag of gewoon wandelen. Dat laatste in zonwerende kleding onder een vrolijke paraplu (vrouwen) of met strohoed en licht zomerpak (mannen).

Om deze subjectieve impressie te testen heb ik gegoogled naar objectieve statistische gegevens. Ik kwam terecht bij cijfers uit een van de warmste staten, Western Australia. En wat blijkt: mijn impressies zitten er niet zo ver naast.

Bijna de helft van alle ouderen daar beoefenen een breed scala aan sporten in de meestal zonnige openlucht. Naast de al genoemde sporten zijn dat zwemmen, tennissen, fietsen en bushwalking. Het verschil in sekse is miniem: 75% mannen tegen 80% vrouwen.

Doet Australië dan niks aan voorlichting? Zeker wel. Het Government’s Sun Smart UV Alert geeft aan wanneer op warme dagen de UV straling het hoogst is. De Australian Cancer Council heeft een groot aantal producten ter bescherming ontwikkeld, zoals effectieve crèmes, zonnebrillen, paraplu’s en UV beschermende kleding en hoeden (verplicht voor schoolkinderen – zie foto).

Maar die opsomming zegt het al, het zijn allemaal beschermingen voor buitenactiviteiten. Dus de onderliggende boodschap luidt: geniet er van, maar neem je voorzorgsmaatregelen. Nederland legt daarentegen de nadruk op waarschuwingen, adviezen om vooral niks te doen en –ik kom er maar niet over uit - binnen zitten om te overleven.

Nu zal elk verstandig persoon zeggen: wat is er mis met adviezen als het echt bloedheet is? Inderdaad, als het echt bloedheet is zijn tips en maatregelen voor hulpbehoevenden zeker niet overbodig. Maar let wel, Nederland definieert inmiddels een hittegolf als ‘…een periode van vijf dagen waarin de temperatuur boven de 25 graden is, met tenminste 3 dagen van 30 graden of meer.’

Vanaf 25 graden! Dat zijn temperaturen die steden als Sydney en zeker Brisbane regelmatig in hun winters halen, om maar niet te spreken van Darwin waar het hele jaar de temperatuur rond en boven de 30 is. Blijven ouderen daar de hele dag binnen? Nooit gemerkt. Australië legt de lat dan ook een flink stuk hoger: een hittegolf is een hittegolf als de temperatuur dagenlang boven de 35 graden stijgt. En we weten allemaal dat ver boven de 40 geen uitzonderingen zijn.

 

Ach, normaal zou ik zeggen ‘s lands wijs, ‘s lands eer, ware het niet dat die waarschuwingen van de vroege ochtend tot de late avond bij vele ouderen leiden tot bangmakerij en ongerustheid. In plaats van, aangepast aan de omstandigheden, te genieten van die paar mooie zomerse dagen maken velen zich vooral zorgen hoe de hitte te doorstaan.

Nee, dan de ouderen uit het hierboven geciteerde West Australisch onderzoek. Gevraagd naar de voornaamste motivatie om buiten actief te zijn, geven de meesten als antwoord: ‘HAVING FUN’.

Zo, nu wij weer!

Ad Borsboom

P.S. Ik behoor inmiddels ook tot de categorie Ouderen en geef toe dat ik daarom voor goedbedoelde betutteling nog gevoeliger ben geworden dan een door de zon verbrande nek. Maar het mooie van een eigen column is dat je van je hart geen moordkuil hoeft te maken. Dus: hoezo binnen blijven?….get a life mate! Het is gewoon ZOMER!

 
images.jpeg

Cricket!

(Column in East&Going Down Under, lente 2013) 

De achtergrond voor dit thema is pure frustratie. Ik begrijp er namelijk nog steeds niks van. Dat komt zeker niet door een gebrek aan interesse. Ik wist al voordat ik ooit naar dit continent vertrok dat Australië en Sport een Siamese tweeling vormen. En wie de ziel van Australië probeert te doorgronden kan niet om sport heen. Ik heb me daarom vanaf het begin vooral enthousiast gestort op sporten die ik vanuit Nederland niet kende, maar die het hart van elke Australiërs sneller doen kloppen.

Zo leerde ik met een bescheiden bedrag te gokken op de dravers van Harold Park, vlak bij ons verblijf in Annandale, Sydney. Dat de paarden van mijn keuze consequent weigerden ook maar in de buurt van een ereplaats te komen, deed niets af aan mijn enthousiasme.

Zelfs in het ver afgelegen Maningrida aan de noordkust van Australië liet ik me later verleiden te gokken op een door kenners aanbevolen paard in de Melbourne Cup. Weer tevergeefs. En toevallig of niet, degene die de sweepstake had georganiseerd won de hele pot. Jammer voor mij, maar het ging me vooral om het ideaal: de Australische ziel te doorgronden en sport en gokken zijn daar belangrijke ingrediënten van.

Wanneer ik de regels van het spel niet kende waren er altijd voldoende enthousiaste Australiërs bereid me bij te praten. Dat was bijvoorbeeld hard nodig bij die andere Australische passie, het Australian Rules Football. Komend uit Europa had ik, naïef als ik was, toch altijd nog de indruk dat Football met de voeten gespeeld wordt.

Dit bleek een misvatting. Naast schoppen (meestal de bal maar ook soms de tegenstander) zag ik spelers de eivormige bal op acrobatische wijze uit de lucht plukken en regelmatig onderhands doorspelen zoals volleyballers dat vroeger deden met hun opslag. Mannen in witte jassen en hoedjes stonden achter de H-vormige doelpalen en zwaaiden sierlijk hun vlaggetjes als de bal ergens tussen die palen terecht kwam.

Dit alles schreeuwde om uitleg. Die kreeg ik van een stel vrienden die me meenamen naar een topwedstrijd. En hoewel ik me niet helemaal als kenner wil neerzetten, weet ik inmiddels genoeg om er van te genieten.

Maar nu Cricket.

Ik heb mijn stinkende best gedaan er iets van te begrijpen. Tot nu toe tevergeefs. Mijn allereerste indruk ooit, toen ik mannen deze edele sport zag bedrijven, was dat de spelers een minuut stilte in acht namen. Dat bleek echter niet het geval. Plotseling renden een speler naar voren en wierp een bal richting driepotig poortje. Iemand anders sloeg die bal een eind weg, gevolgd door weer een minuut stilte. Zo leek het althans.

Ik probeerde een beproefd recept uit en vroeg een vriend me te vergezellen naar een wedstrijd. Helaas werkte het deze keer niet. Mijn vriend bleek ook al geen fan en was alleen meegegaan  om mij een plezier te doen. Een kwartier na aanvang liet hij fijntjes weten het spel even boeiend te vinden als het kijken naar groeiend gras en stelde voor de nabij gelegen pub in te duiken. Zo gezegd zo gedaan, het werd een gezellige middag, maar ik was richting Cricket nog geen steek wijzer geworden.

Dan maar een boekje met spelregels raadplegen en verslagen lezen. Ook tevergeefs: te abstract, teveel geheimtaal en teveel voorkennis verondersteld. Om dit te illustreren citeer ik een willekeurig fragment uit The Australian van 28 december 2012 (Test Match tegen Sri Lanka):

Dilshan (0) was out next ball, for a golden duck, caught at short leg by Ed Cowan from a Johnson thunderbolt that was homing into the opener's ribs.

Dat bedoel ik dus. Om hopeloos van te worden. Wat is dit? Een soort geheime codetaal waarmee ze vroeger postduiven de oorlog in stuurden? Wie het weet mag het zeggen.

Ik heb leren genieten van al die typische Australische sporten. Behalve van Cricket. En dat frustreert me dus. Want hoe kan ik echt inzicht krijgen in de ziel van de Australiërs als ik de passie voor dit ultieme spel niet met hen kan delen?

Wie helpt me uit de brand? De beloning is eeuwige dankbaarheid.

 

 

 
9981p17hev00vl1289t6151ff7ks6s1.jpg

East meets West!

(Column in East&Going Down Under, zomer 2013, ter gelegenheid van de fusie van beide tijdschriften).

East en Down Under, twee regio’s samengevoegd tot een blad. Komend vanuit de Down Under hoek wil ik allereerst redactie en uitgever veel succes toewensen met deze logische stap. Australië ligt midden in het Azie-Pacific gebied en strakke grenzen trekken tussen deze regio’s is een nogal kunstmatige en Eurocentrische bezigheid.

Vooral  de wetenschap waarin ik mijn brood verdiend heb maakte zich daaraan schuldig.  Je had – ook typisch vanuit Europa gedacht - Zuidoost Azië en Oceanië als twee volstrekt aparte regio’s voor onderzoek. Daartussen lag Australië en, geloof het of niet, ik herinner me tal van discussies over de vraag waar je dat continent onder moest brengen.  Een voorbeeld.

Ik heb mijn antropologisch onderzoek in Aboriginal Australië verricht, maar toen ik hoogleraar werd met speciale opdracht Antropologie van Oceanië, kwamen er vragen. Is iemand die onderzoek doet in Australië wel in staat leiding te geven aan onderwijs en onderzoek in Oceanen, toch een heel ander gebied? (for the record: ja dus).  

Gelukkig heeft Going Down Under zich aan een dergelijke discussie niks gelegen laten liggen en boeide reportages gemaakt – en blijft maken – over niet alleen Australië, maar ook Nieuw-Zeeland en de ander eilanden in Oceanië.

 

Maar de link tussen Down Under en Azië dan? Wel, lang voordat de Australië ontdekte dat Azië niet de Far East was maar haar noorderbuur, en lang voordat premier Julia Gillard onlangs haar politieke document Australia in the Asian Century  presenteerde, hadden Aborigines al eeuwenlang het goede voorbeeld gegeven. Zij onderhielden namelijk intensieve handelscontacten met de Makassaren, Aziatische vissers uit het voormalige Celebes, nu Sulawesi.  Deze Makassaren bezochten al vanaf de zeventiende eeuw  jaarlijks Arnhem Land, de kop van noord Australië. Ze  visten op  trepang (zee komkommers) en verhandelden dat op Chinese markten.  

Al die jaren voeren deze Makassaren aan het begin van regentijd naar de Australische noordkust en bleven daar tot het einde van dat seizoen. Op het hoogtepunt van deze contacten verschenen er wel zo’n duizend Makassaren per seizoen in het gebied. Regelmatig gingen ook Aborigines mee terug naar Celebes,  in de wetenschap dat ze het seizoen daarna weer mee terug konden.

In ruil voor gastvrijheid van de Aboriginal bevolking brachten de Aziatische vissers spullen mee die hun gastheren bijzonder waardevol  vonden. Daaronder waren ijzeren bijlen die de traditionele stenen bijlkoppen vervingen, kleding, messen, betere vaartuigen, rijst en genotmiddelen zoals pijp, tabak en jenever.  

Ook zijn tal van Makassaren namen en woorden nog in de Aboriginal talen terug te vinden.  Een voorbeeld daarvan ondervond ik in mijn eerste contact met Aborigines in 1972.

‘Jij bent een echte balanda’ zei Jack, een Aboriginal man van mijn leeftijd die mij begroette. Ik was verbaasd omdat deze mededeling zo vanzelfsprekend leek, overbodig bijna. Balanda is in Arnhem Land immers het gangbare woord voor ‘blanke’.

‘Iedereen die er zo uitziet als ik is toch een balanda, of niet soms?’

‘Dat klopt, maar jij komt uit Holland en Hollanders zijn de echte balanda’s’.

Zonder mijn reactie verder af te wachten vervolgde hij zijn betoog:

‘Lang geleden zagen onze voorouders hier mensen aan land komen die dezelfde huid hadden als jij. Verbaasd vroegen ze: wie zijn jullie? En een van hen antwoordde: wij zijn Hollanders. Onze voorouders verstonden zoiets als “Hollanda” of “Hallanda” en dat woord is doorgegeven en vervormd tot balanda. Nu gebruiken we het woord voor elke blanke persoon, maar omdat het eerst alleen maar Hollander betekende ben jij een échte balanda.’

Dat deze verklaring, hoe creatief ook, waarschijnlijk historisch niet zo correct is, doet niets af aan de originaliteit daarvan. De historische oorsprong van het woord balanda ligt echter voor zover bekend bij die vissers uit Celebes. Tussen de vele nieuwe woorden die ze in Arnhem Land introduceerden zat ook het woord belanda, het Maleise woord voor Hollander en later voor blanke in het algemeen. In die betekenis wordt het woord ook nu nog door Arnhem Land Aborigines gebruikt.

Overigens maakte de Australische overheid in 1912 een eind aan deze contacten, bang als men was voor invloed van Aziatische noorderburen. Gelukkig is deze houding - onderdeel van de White Australia politiek -  inmiddels al lang verlaten.  Al decennia lang ziet Australië zich, zoals premier Gillard uitdraagt, meer en meer een spil in het Azië -Pacific gebied en maken Aborigines zelf uit met wie ze contacten onderhouden. Dat bleek duidelijk toen in de jaren tachtig een groep Aborigines naar Sulawesi trokken om de eeuwenlange onderlinge relatie te herdenken met liederen, ceremoniële dansen en het uitwisselen van rituele voorwerpen.

Zo hebben de inheemse bevolkingen van beide gebieden al eeuwenlang ook de kunstmatige scheiding tussen Australië en Zuidoost Azië gelogenstraft. Oceanië, Down Under, Zuidoost Azië, het zijn regio’s die natuurlijk hun eigen afzonderlijke kenmerken hebben. Maar de overeenkomsten zijn, zoals de redactie in haar vorige nummer aangeeft, vooral in geografisch opzicht, zo talrijk dat ze elkaar niet alleen aanvullen, maar ook deels overlappen.

Vanuit een wat chauvinistisch Down Under perspectief zeg ik daarom: ‘Good On Y’e Mates!’ 

 
Canberra from Black Mountain

Hoezo Canberra Saai?

(column in Going Down Under, lentenummer 2012; foto Ad Borsboom: bushcapital of Australia)

*

You  must be joking!

We gingen lekker uit eten in Surry Hills, een trendy wijk in Sydney. De chef die ons bediende was een innemende en vriendelijk gastheer. Hij complimenteerde ons – zo doen ze dat in trendy restaurants -  met de keuze van het menu.

‘Excellent choise, Sir.‘

Ik liet het compliment gelaten over me heen komen. Eerlijk gezegd ik had ook maar gegokt met de  keuze van Seared Hirimasa Kingfish met Rocket, Balsamic, Reggian. Het klonk in elk geval duur genoeg en we hadden wat te vieren, dus vooruit maar.

Tijdens het keurig uitserveren vroeg hij waar we vandaan kwamen. Ik antwoordde dat we in Nederland woonden maar tegenwoordig zo’n twee maanden per jaar in Canberra verbleven. Waarop hij op een typisch Sydney manier  reageerde met ‘poor guys – how d’ya cope there?’

‘Prima’, zei ik, ‘we zijn erg van Canberra gaan houden en verheugen ons elk jaar er weer terug te komen.’

Dat was het moment dat hij even het decorum liet vallen en datgene uitriep waar ik mijn verhaal mee begon: You must be joking!

Verbouwereerd keerde hij terug  naar de keuken. Ik weet zeker dat hij daar iets zou zeggen in de trant van ‘wat er nu toch zit - een stel maffe Hollanders die Canberra leuk vinden.’

Ik gebruik deze wat lange inleiding als typisch voorbeeld van wat stedelingen elders in Australië van hun hoofdstad vinden. Saai, leeg, geen centrum, geen pubs, geen fatsoenlijke restaurants, etcetera etcetera. Zelfs de voormalige premier van New South Wales, Morris Iemma, noemde Canberra nog pas in 2006 ‘steriel’ en ‘zes suburbs op zoek naar een stad.’

Ook voor cabaretiers is Canberra een dankbaar onderwerp. Ik zag rond diezelfde tijd een show van de Engelse komiek Lenny Henry in het State Theatre in Down Town Sydney. Om het publiek te paaien opende hij met een reeks grappen over Canberra, in de trant van “Je kunt er midden in die stad met stenen gooien zonder iemand te raken.’ Dit soort belegen ongein dus. Maar bij het publiek  ging het erin als koek (rest van de show was wel leuk).

Toegegeven, ik heb Canberra ook een tijdje in het begin van de jaren zeventig meegemaakt. De stad voldeed toen inderdaad aan de hier opgelepelde stereotiepen. Het toppunt van frivoliteit was een draaimolen in een volstrekt doods winkelcentrum.  De buitenwijken leken uitgestorven totdat je uit het geluid van een eenzame grasmaaier mocht afleiden dat er tenminste één huis bewoond was. Als bezoeker kon je ‘s avonds weinig anders dan vertier zoeken aan de bijna lege bar van je hotel. En die ging rond tien uur dicht. Eenzamer kon het nauwelijks

Maar dat is echt verleden tijd. Om te beginnen biedt Canberra inmiddels een levendig en gezellig uitgaansleven. Vooral het centrum en de wijken rond het prachtige Lake Burley Griffin  hebben een grote inhaalslag gemaakt. Zowat alle keukens van de wereld zijn vertegenwoordigd in tal van knusse tot chique restaurants en cafés. De vele variaties koffie zijn van grote klasse, evenals het aanbod aan wijnen; niet zelden uit de omgeving van Canberra zelf.

De cultuurliefhebber kan zijn hart ophalen in de National Gallery, de National Library, het gigantische National Museum of Australia, het War Memorial en nog een reeks van andere culturele instellingen.

Wie sportief is vindt al snel prachtige fietsroutes op beschermde paden, kan roeien op het meer, zwemmen in de Olympic Pool of bezoekt het Australian Institute of Sport waar alle Australische kampioenen gekweekt worden.

En dan die natuur! Zowel binnen het uitgestrekte Canberra als daarbuiten zijn prachtige nationale parken te vinden waar de bijna complete Australische flora en fauna zich aan de geduldige bezoeker ontvouwt.

In 2013 zal de stad groots haar 100 jarig bestaan vieren, en terecht. Van een kunstmatig aangelegd dorp is Canberra uitgegroeid tot de niet te missen levendige, open, schone, boeiende en gastvrije hoofdstad van Australië.

Zo, ik ben mijn ei kwijt. Dat stereotiepe beeld van Canberra - vooral gecultiveerd door stedelingen die, zoals de chef uit mijn verhaal, ook nog bekennen dat ze er nog nooit  geweest zijn - moest maar eens de wereld uit.

En tegen iedereen die serieus denkt dat ik gesponsord wordt door het Canberra Visitors Centre of Tourism Australia kan ik alleen maar zeggen: You must be joking!

 
Australie 1972 prive_0032.jpg

Laatste Nederlandse uitzending Wereldomroep: Ode van een Romanticus

(mijn column in magazine Going Down Under, herfstnummer 2012; foto: onze trouwe korte golf radio).

De Tijden veranderen en wij met hen, zoals een bekend spreekwoord luidt. Daar is geen speld tussen te krijgen. Zo waren we ooit in den vreemde afhankelijk van een korte golf radio als je een beetje wilde bijhouden wat er in het land van afkomst zo al gebeurde.

Luisteren naar korte golf uitzendingen was echter geen onverdeeld genoegen. Het bleek vaak een gepriegel van jewelste om je favoriete zender tussen al dat geruis te vinden. Als dat al een beetje lukte moest je maar afwachten of de kwaliteit deze keer toereikend was. Te vaak zakte de stem van de omroeper net weg op het moment dat hij de voetbaluitslag van je favoriete club meldde. Je draaide tegen beter weten in nog maar een keer met een geïmproviseerde antenne, maar meestal tevergeefs. Weg uitslag – om vervolgens wel luid en duidelijk de afscheidswoorden van de presentator mee te krijgen. Dat dan weer wel.

Nee dan de Nieuwe Tijden. Via internet komt elke uitzending in optimale geluidskwaliteit je kamer binnen. En mis je een favoriet fragment alsnog omdat net je mobieltje gaat? Geen man overboord, dat zoek je met je muis probleemloos weer op.

Waarom moest ik dan, ondanks de zegeningen van de Nieuwe Tijden, toch even slikken bij de laatste Nederlandstalige uitzending van Radio Nederland Wereldomroep? De korte golf was toch al lang overbodig geworden? En de Wereldomroep had toch ook in Australië concurrentie van andere Nederlandse publieke zenders die op afroep te beluisteren zijn? Laten we dus reëel blijven. Die laatste uitzending was even onvermijdelijk als het verdwijnen van de postkoets, van oude ambachten en van, ik noem maar wat, radiotelegrafisten (mijn functie als dienstplichtige, o ja, en die bestaan ook al niet meer). Waarom dan dat sentimentele gedoe?

Dat zit zo.

Ik heb als antropoloog in de jaren zeventig en tachtig  langdurig veldwerk verricht bij Aboriginal families aan de noordkust van Australië, midden in de bush van Arnhem Land.

In dat internet- mobiele- sms- twitter-- loze tijdperk was de Wereldomroep mijn navelstreng met Nederland en de rest van de wereld.

Op zo’n 500 km ten oosten van de stad Darwin zat ik regelmatig ’s middags om half vijf gekluisterd aan mijn krakende korte golf radio. Ik was weliswaar goed voorbereid om lange tijd zo ver van huis en haard mijn werk te doen. Maar toch…die krakende uitzendingen gaven me een houvast; het gevoel dat de mij vertrouwde wereld nog ergens bestond.

Waar ik me naast het nieuws vooral aan vast klampte was de sport, met name het voetbal. Ik had voor vertrek uit Nederland de schema’s van de competitie aangevraagd, waar de uitzending op maandag aandacht aan besteedde. Dan las de omroeper van dienst de uitslagen voor die ik vervolgens op dat schema noteerde. Zo hield ik ook de standenlijst bij.

Zoals gezegd ging de uitslag regelmatig ten onder aan gekraak en ruis. Voorbeeld: Roda (ik kom oorspronkelijk uit Kerkrade) tegen grrrkkrrrr:  1 - ??? kggrrrrwoooeeee.

Weg uitslag.

‘Niet vloeken’ riep mijn vrouw dan, 'over twee weken komt de Dutch Australian Weekly (dat krantje bestaat ook al niet meer) en dan zie je de uitslagen vanzelf.’ Goed bedoeld, maarvoor de ware sportliefhebber een tergend lange periode van onzekerheid.

In de regentijd, als het water met bakken naar beneden kwam, was het vaak helemaal onbegonnen werk om af te stemmen op de uitzendingen. Dan werd het gebruikelijke gekraak nog overstemd door het geratel van de regen op het golfplaten dak van onze hut, het huilen van de moesson wind en het tikkende geluid van waterdruppels in de emmers die her en der verspreid stonden vanwege allerlei lekkages.

Welnu, al die herinneringen, die vreugde, die kleine ongemakken die nu futiliteiten lijken, maar vooral de avontuurlijke context van al die uren luisteren, ze streden bij die laatste  uitzending allen om voorrang.

Dus daarom moest ik toch even slikken. Tijden veranderen inderdaad en wij gelukkig met hen. Maar sommige momenten hebben eeuwigheidswaarde.

Bedankt alle medewerkers, het gaat jullie goed!

 

 

 

 

Hogere Australische Pub-kunde

(mijn column in magazine Going Down Under, zomernummer 2012; foto: zomaar een Schooner). 

De klassieke Australische pub lijkt op zijn retour. Op vele plaatsen in stedelijk Australië komen daar chique design cafés voor in de plaats. Ook heeft de consumptie van wijn die van bier inmiddels overvleugeld.

Is dat erg? Nou misschien niet. Tijden veranderen en wij met hen. Maar sta me toe hier uiting te geven aan wat nostalgische gevoelens richting klassieke pub. Dat zit zo.

Toen ik in het begin van de jaren zeventig als jonge onderzoeker met echtgenote in Sydney aankwam, logeerden we aanvankelijk bij mijn Australische supervisor. Hij was een gerenommeerd antropoloog en zoals vele van zijn Australische collega’s, ook liefhebber van de lokale pub cultuur. Hij vond dat ik als antropoloog die subcultuur ook moest leren kennen.

Nauwelijks bekomen van een vliegreis van veertig uur stonden we vrij snel aan de bar van de lokale pub. Wat meteen opviel was de Spartaanse inrichting van het lokaal: geel betegelde muren, nogal hard neonlicht en nergens stoelen en tafels met zo’n typisch Nederlands nep-perzisch tapijtje te bekennen.

Mijn supervisor verklaarde desgevraagd dat er in een klassieke pub niets de aandacht van het hoofddoel mocht afleiden, zijnde het drinken van bier. Dat gebeurde dan ook volop door luidruchtige mannen die elkaar voortdurend ‘mate’ noemden.

Als vuurdoop liet hij mij de eerste ronde bestellen. Niks vermoedend vroeg ik beleefd: ‘two beer please.’ De barmaid keek alsof ik een oneerbaar voorstel deed en negeerde me vervolgens compleet. Verbouwereerd liep ik terug naar mijn wetenschappelijke gerenommeerde ‘mate’, die me grinnikend stond op te wachten.

‘Les 1’ zei hij besmuikt, ‘ is dat je niet zo maar bier bestelt, maar de grootte van het glas noemt.’ Stomverbaasd vroeg ik hoe ik daar achter kon komen.

Toen volgde les 2 over soorten glazen, zoals daar zijn: een pony (140ml), een middy (285 ml), een schooner (425 ml) en – hallo bent u er nog? – een pint (#570 ml). Mijn supervisor dronk schooners en ik volgde beleefd zijn voorbeeld. Helaas, zo merkte ik de volgende dag, ik had beter voor ponies kunnen kiezen, maar dat bleken in die macho cultuur van toen vooral glazen te zijn voor vrouwen.

Les 3 volgde een week later toen mijn supervisor enkele medestudenten had uitgenodigd voor een kennismaking in dezelfde pub. We waren met zijn vijven en hij introduceerde het principe van de Shout: rondjes bestellen. Je haalt in gezelschap niet alleen je eigen drankje, maar begint met een rondje voor iedereen. De anderen volgen dan beurtelings vanzelf.

Als daarna nummer één met een nieuw rondje shout begint, hoort de rest weer te volgen. Dat kan met een wat groter gezelschap nogal uit de hand lopen. Daarom een welgemeend advies, dat ikzelf uiteraard achteraf kreeg: probeer het pand na het eerste rondje shouts geruisloos te verlaten.

Een apart fenomeen was de last shout wanneer de barman schreeuwde dat de zaak over vijf minuten ging sluiten (sluitingstijd: tien uur precies). De hele meute spoedde zich dan massaal richting bar om snel de laatste schooner of middy naar binnen te werken voordat de eigenaar iedereen naar buiten werkte.

Deze initiatie in de hogere pub-kunde in Sydney was echter bij lange na niet voldoende. De lokale gebruiken daar bleken namelijk elders niet te gelden. Een middy in Sydney heette respectievelijk een pot in Queensland en een schooner in Zuid Australië, waar diezelfde Sydney schooner weer een pint was, enzovoort. Vergissingen waren ernstig en het leek of de lokale identiteit vooral afhing van de wijze waarop het bierglas gedefinieerd werd.

Maar, zoals gezegd, tijden veranderen en wij met hen. Afgelopen jaar bezocht ik een nieuwerwetse pub in Canberra. Gezeten in een skai-leren fauteuil en omgeven door stijlvolle sfeerverlichting genoot ik van een Belgisch bier, perfect getapt door een beschaafde barman. Kortom een omgeving die niet alleen past in het huidige tijdsgewricht, maar ook bij mijn inmiddels gevorderde leeftijd.

En toch..en toch..noem het nostalgie, zeg rustig dat ik het verleden idealiseer, ik geef het allemaal toe. Want soms mis ik die shouts, dat dubben over de juiste naam voor het glas en die luidruchtige gasten die elkaar voortdurend ‘mate’ noemen. Misschien is het ook een nostalgische verlangen naar mijn eigen jeugdige overmoed die samen met die typische pubcultuur verdwenen is.

Those were the days my friend, zong Mary Hopkin ooit - en zo is het maar net.

(P.S. wie zich na bovenstaande pubverslagen zorgen maakt over mijn alcoholconsumptie: drie maanden na aankomst in Australië verdween ik voor ruim anderhalf jaar in de bush van Arnhem Land waar het leven op dat vlak nogal sober was. En zo is het daarna gebleven).

 
Vaarwel bungalowtent, welkom muskietennet

Hebben Aborigines Humor?

(column in Going Down Under, herfstnummer 2011. Foto: Ad Borsboom)

Deze vraag zou niet in me opkomen als ze me niet verschillende keren gesteld was. 

Toen ik bijvoorbeeld in een filmhuis de Aboriginal film Ten Canoes van commentaar voorzag volgde na afloop een geanimeerde discussie met het publiek.  Aanleiding was een scene in het begin van de film. Aboriginal mannen liepen, zoals traditioneel gebruikelijk, in een rij achter elkaar door het struikgewas. Dan roept de achterste man nogal geïrriteerd dat hij niet meer de laatste in de rij wil zijn. Op de vraag: waarom niet, antwoordt hij dat hij het zat is voortdurend de scheten van zijn voorgangers te moeten inhaleren.  Grote hilariteit in de film en in de zaal. Ik geef toe, niet het fijnezinnigste voorbeeld van Aboriginal humor, maar, ach, mannen onder elkaar – we weten hoe dat gaat.

Naast deze wat boertige humor ben ik getuige geweest van een groot scala aan humoristische voorvallen, commentaren, satires en persiflages. Wat dat laatste betreft herinner ik me een scene uit een plechtig ritueel, waarbij een gezette danser optrad als clown. Vanwege zijn omvang waren zijn danspassen tot groot vermaak van de aanwezigen klunzig en onbeholpen. Het bleek een welkome afwisseling van de anders zo plechtige sfeer van het ritueel.

Een ander type humor is ‘Schadenfreude’ zoals de Duitsers dat zo treffend noemen; lachen om een ander die zich vanwege zijn potsierlijke gedrag belachelijk maakt. Ik moet bekennen dat ik die pijnlijke situatie zelf ervaren heb. Tijdens een langdurig verblijf bij Aborigines diep in Arnhem Land beschikte ik als onderdeel van mijn uitrusting over een grote bungalow tent. Ik wilde af en toe wat privacy en moest 's avonds ook mijn aantekeningen van die dag in alle rust  kunnen ordenen. De Aboriginal families sliepen rond smeulende vuurtjes in de open lucht of onder muskietennetten. Daarom, moet ik achteraf concluderen, was mijn opzichtige tent op zijn zachts gezegd nogal een opvallende en dominerende verschijning in ons kampement.

Op een dag trof ik bij terugkeer in het kamp een lege plek aan waar eens mijn tent had gestaan. Mijn ontreddering moet  groot zijn geweest want ik hoorde mensen om me heen ingehouden proesten om even later in lachen uit te barsten. Ze wezen omhoog waar ik in de toppen van de bomen tussen de schreeuwende kaketoes, stukjes tent zag wapperen. Een rukwind had de tent daar doen belanden.

Vanaf toen lag ik 's nachts net als iedereen gewoon onder een muskietennet rond kampvuurtjes. Tot op de dag van vandaag word ik bij terugkeer fijntjes herinnert aan dat voorval en blijkt ook de volgende generatie Aborigines er nog veel lol aan te beleven.

Een bijzonder effectieve vorm van humor waar Aborigines zich van bedienen is de parodie. De film Babakiueria is daar een fraai voorbeeld van. Deze film verscheen kort voordat Australië in 1988 op grootste wijze haar 200 jarig bestaan zou gaan vieren. Maar voor veel Aborigines waren de afgelopen twee eeuwen nauwelijks feestelijk te noemen.

Babakiueria draaitde rollen om. Wij Europeanen zijn nu de oorspronkelijke bewoners van Australië en we worden in 1772 ontdekt door Aboriginal zeevaarders. Gekleed in uniformen uit die tijd gaan ze in Botany Bay aan land. Daar treffen ze blanke families bij een barbecue.

‘Hoe heet deze plaats’, vraagt de Aboriginal Captain aan de verbijsterde blanken.

“Barbecue Area’, antwoorden deze schuchter.

‘Ze noemen dit land Babakiueria’ roept hij zijn bemanning toe – waarmee hij ons Europeanen imiteert die voortdurend inheemse namen verbasterd hebben. Na deze openingsscène volgt de ene satirische omkering na de andere. Blanken vertrekken voor hun eigen bestwil naar reservaten, kinderen worden bij ouders weggehaald en een Aboriginal minister klaagt dat die primitieve blanken ondanks alle hulp niet vooruit te branden zijn. Ook mijn beroepsgroep wordt niet gespaard: in de film leidt een Aboriginal vrouw, duidelijk als antropoloog, ons door het verhaal en verbaast zich over de vele exotische gebruiken die ze tegen komt.

De film is in drie delen op Youtube te bewonderen.

Als hilarische uitsmijter sluit ik af met  de Chooky Dancers (zie ook Youtube). Dat zijn  Aboriginal tieners uit mijn onderzoeksgebied die geweldig scoren met een even ongelooflijke als originele persiflage: ze dansen op traditionele wijze de sirtaki op de muziek van Zorba De Griek. Kijk en geniet.

 
Iconen Australie: Opera House en Harbour Bridge

Bottlemoney,tea en nog wat misverstanden

(column in Going Down Under, zomernummer 2011)

tekst en foto Ad Borsboom

In 1972 vertrokken wij, Elfrida en ik, als jong stel voor drie jaar naar Australië. Ik ging als antropoloog onderzoek verrichten bij Aboriginal communities in Arnhem Land. Met een training van enkele jaren achter de rug had ik me goed voorbereid op de grote cultuurverschillen waar ik mee te maken zou krijgen.Dat het andere Australië ook zijn eigen regels en etiketten kende vermoedde ik wel, maar daar tilde ik niet zo zwaar aan. Australië was immers net als Nederland een westers land en als getrainde antropoloog zou ik die paar verschillen wel snel onder de knie hebben. Niet dus. 

Het begon al in Sydney waar we eerst maanden gingen wonen. We wilden na aankomst een biertje drinken in het Annandale Hotel, een pub tegenover ons appartement. Nietsvermoedend liepen we de rumoerige bar binnen, waar tot mijn verbazing het geroezemoes meteen verstomde. Snel kwam een man naar me toe en liet weten dat het absoluut niet de bedoeling was met mijn ‘missus’ te verschijnen. ‘Only for men’ zei hij. Bang dat Elfrida het zou horen, fluisterde hij me nog toe: ‘too much swearing here, mate’. Hij verwees ons naar een afgesloten ruimte elders in pub waar vrouwen wel mochten drinken. Verbouwereerd liepen we daar naartoe. Maar nu bleek niet Elfrida maar ik het probleem. Dodelijke blikken van rokende dames lieten niets te raden over. Hier was ik niet gewenst.Beduusd dropen we af en besloten thuis maar een biertje te drinken.

Later wilde ik lege flessen in de bottleshop van de pub inleveren voor statiegeld. De vrouw achter de toonbank - een van de dames die me eerder de pub uit had gekeken - reageerde opnieuw geirriteerd. Zij wist niet dat er zoiets als statiegeld bestond, en ik wist niet dat het niet bestond.‘Bottle money’ stamelde ik nog hulpeloos, zoekend naar het juiste Engelse woord. Het is nooit meer goed gekomen tussen mij en de dame van de pub.

Twee maanden later kwamen we aan in Maningrida, de nederzetting in Arnhem Land waar mijn onderzoek zou beginnen. Al snel nodigde een Australisch echtpaar ons uit voor tea. Wat aardig. Maar we verbaasden ons over het tijdstip. Zes uur. Normaal toch de tijd van avondeten. Omdat we niet de hele avond met een lege maag wilden zitten besloten we,tegen onze gewoonte in, al om vijf uur stevig warm te eten. Wat bleek even later? Tea is een Australiërs de term voor avondeten. Help.

Heather, de gastvrouw, had flink uitgepakt: stevige soep met brood, een groot stuk roast met pumpkin, zoete aardappelen en appeltaart met ijs en slagroom na. Wij durfden niet te zeggen dat we al vol zaten en hebben dapper onze rijk gevulde borden leeg gegeten. Die nacht wilde de slaap maar niet komen. Twee overvolle buiken en een temperatuur als in een sauna (regentijd), hielden ons tot het ochtendgloren klaarwakker.

Tegenwoordig geef ik soms cursus aan Nederlandse werknemers die tijdelijk naar Australië gaan. Ik noem dan graag bovenstaande voorbeelden om te benadrukken dat verschillen wel degelijk bestaan. Wellicht niet meer dezelfde als veertig jaar geleden: gelukkig kun je nu overal met je vrouw de pub in, het woord tea voor de hoofdmaaltijd komt minder voor en dat bottlemoney niet klopt wist ik eigenlijk al toen ik het woord uitsprak.

Verschillen zijn er echter nog steeds; meestal verborgen en daardoor juist aanleiding voor wederzijds onbegrip en zelfs irritatie. Hoe meer een samenleving op de onze lijkt, hoe verraderlijker ze kunnen zijn. Erger nog dan fouten maken is echter de angst om fouten te maken. Daarom geef ik cursisten een welgemeende advies mee: gedraag je niet krampachtig, fouten blijven onvermijdelijk, blijf ook jezelf. Maar: noem die andere mores niet meteen raar omdat wij Nederlanders het anders doen.

Verdraaid, nu sluit ik toch af met dat opgeheven vingertje. Typisch Hollands. Kijk, dat zouden Australiërs niet snel doen.

 

Denkend aan Australië zie ik

(dit is mijn eerste column in het tijdschrift Going Down Under; winter 2011; foto Ad Borsboom)

Denkend aan Holland zag onze beroemde dichter Marsman grote rivieren die traag door het lage land stroomden. Daarmee typeerde hij Holland in zijn tijd ten voeten uit. 

Is het ook mogelijk Australië neer te zetten in een paar kernzinnen? Dat leek me een mooie uitdaging toen ik een serie colleges over dit continent voorbereidde. Natuurlijk ben ik geen dichter als Marsman, maar een paar rake typeringen leken niet zo moeilijk.

Eerst dacht ik: laat ik het land typeren aan de hand van weidsheid en leegte. Vanuit Nederland halen we oneindige lege ruimtes voor de geest. Maar, realiseerde ik me al gauw, het tegenovergestelde is ook waar. Australië is een van de meest urbane landen ter wereld: zo’n 85% van de 20 miljoen Australiërs woont in dichtbevolkte steden. 

Als ik de uitgestrektheid niet kan gebruiken als kernachtige typering, zou het dan lukken met het soort landschap? Denkend aan Australië zie uitgestrekte woestijnen met hier en daar grillige, verweerde rotsformaties, waar de rode aarde en de staalblauwe lucht elkaar aan die eindeloze horizon ontmoeten. Maar ook dit beeld is weer eenzijdig: langs de oost en zuidoostkust zien we brede stroken vruchtbare hellingen, in noord Queensland de regenwouden en in het tropische noorden de uitgestrekte eucalyptusbossen. De vlakke woestijngebieden vinden elders hun tegenhanger in berggebieden zoals de Australische Alpen, de Blue Mountains, het Tasmaanse bergland en het grillige Escarpment van Arnhem Land en de Kimberley's.

Zou je Australië dan  - ik geef nog niet op - pakkend kunnen typeren aan de hand van klimaten? We denkend aan zon, zon en nog eens zon – zowel genadeloos in het binnenland, als weldadig langs de kusten. Alweer: dit beeld klopt helemaal. Maar, het wordt eentonig, het tegenovergestelde ook. De moessonregens in het tropische noorden, de sneeuw in de Australische Alpen, de ijskoude poolwinden die Tasmanie soms teisteren maken even goed deel uit van de klimaten in dit onmetelijke continent.

Nog een laatste poging, de bevolking. Ik vraag nu maar hulp aan mijn toehoorders in de collegezaal. Wat is voor jullie de typische Australiër? Als snel wedijveren het  macho-easy going-Crocodile Dundee-type met de gebruinde surfers en Rip Curl genieters van het strandleven.  Prima, maar wat te denken van die ruim 7 miljoen Australiërs met hun roots in Zuid Europa, Afrika, Midden Oosten Azië etc. etc.? En last but not least de bijna 500.000 Australiërs van Aboriginal afkomst? Bezoek een willekeurige markt en je ziet ze, Australiërs in alle mogelijke variëteiten.

Ik geef mijn poging op, er komt geen eind aan de tegenstellingen. Het grootste eiland, het kleinste continent; het jongste westerse land dat tegelijkertijd de oudste beschaving ter wereld herbergt, de modernste steden naast een landschap zo oud dat je de prehistorie bijna zelf ervaart. 

Zelfs al was ik dichter, ik zou het land niet in enkele regels kunnen neerzetten. Elke observatie klopt, maar de tegenovergestelde waarneming evenzeer. Iedereen heeft daarom recht op zijn eigen Australië. Ik dus ook – en daar ga ik in mijn columns mee aan de slag.